Motivatie van regisseur Maasja Ooms over haar documentaire ALICIA
Uitgezonden op 22 november 2017 bij 2Doc, VPRO, NPO2

Allereerst enorme dank voor de overweldigende reacties. Naast tweets en reacties op Facebook, ook een mailbox vol met mensen die het waanzinnig belangrijk vinden dat deze film is gemaakt. Mensen die met Alicia meeleven. Mensen die willen helpen. Mensen die wat willen doen. Ook Stichting Korrelatie is overspoeld door reacties. Wanhoop en verdriet lijkt de boventoon te voeren. En er zijn ook vragen. Die zal ik zo goed mogelijk proberen te beantwoorden.

Toen ik Alicia leerde kennen leefde ze al vier jaar op een leefgroep in een kindertehuis. Anderen gingen naar huis in de vakantie of weekenden en Alicia bleef altijd alleen achter op de groep. Ook tijdens feestdagen was het daar stil. Haar kasten stonden vastgespijkerd aan de vloer zodat ze niet (weer) omgetrokken konden worden. Lichtknopjes hadden een ombouw zodat ze niet (weer) gemold konden worden. En die dag dat ik haar voor het eerst ontmoette was de tussendeur aan diggelen, omdat een vriendinnetje vertrokken was; ze hadden voor haar wel een gezin gevonden.

Alicia zag (en ziet nog steeds) één keer in de drie weken een lief weekendgezin. Haar moeder en voormalig pleegmoeder kwamen één keer in de zes weken een uur op bezoek. En dat was het. Verder had Alicia geen andere mensen om zich heen. Zij leed daar enorm onder vertelde het pedagogische team, die zeer liefdevol en vol trots over haar sprak. Dit team, dat haar al vier jaar opvoedde, was dan ook de eerste die met een stelligheid beweerde dat gezien worden het allerbelangrijkste voor Alicia is.

Er zijn vele gesprekken aan vooraf gegaan en met velen hebben we ons gebogen of de film over Alicia er moest komen. We hebben alles tegen het licht gehouden, gewikt en afgewogen. Het belang van hechting op een mensenleven besproken. De noodzaak dat er meer kennis over moet komen, omdat hechting van wezensbelang is. Zonder goede hechting is een gezonde ontwikkeling in het geding. Hechting biedt een ieder veiligheid en is daarmee een basis voor hoe je later relaties met mensen aangaat en breder: hoe je de wereld tegemoet treedt. En natuurlijk was privacy een veel besproken onderwerp.

De toenmalige directeur was in eerste instantie huiverig, maar hij kon zijn team tegelijk goed volgen als zij het belang om gezien te worden onderstreepten. En daarnaast had hij ook een sterk voorgevoel dat filmbeelden veel meer konden verduidelijken wat hij beleidsmakers al bijna dertig jaar probeerde te schetsen: kinderen die niet naar huis kunnen raken chronisch getraumatiseerd als er geen langdurig passend perspectief wordt geboden.

Alicia ging akkoord. Haar voogd ging akkoord. Jeugdzorg Brabant ging akkoord. Alicia’s moeder ging akkoord. Het team rond Alicia ging akkoord. De gedragswetenschapper ging akkoord. De ouders van de kinderen die ook in beeld zouden komen gingen akkoord. Iedereen ging akkoord. We spraken met z’n allen af dat het filmen ten alle tijden zou moeten stoppen als Alicia het niet meer leuk vond alsook wanneer een psychiater of therapeut zou opmerken dat het filmen om wat voor reden dan ook schadelijk zou zijn voor Alicia. Daarnaast was het belangrijk dat ik mij aan Alicia verbond voor het leven en dat de belofte aan Alicia van de film een serieuze was, dit om niet de zoveelste volwassene te zijn die iets belooft en niet waarmaakt.

Ik heb niet helemaal een vergelijkbaar verleden, maar ik groeide op in een kindertehuis vanaf mijn geboorte tot mijn vierde jaar. Vanaf mijn derde jaar ging ik af en toe doordeweeks naar huis en niet lang daarna kon ik weer thuis wonen. In die tijd was het belang van hechting nog nauwelijks onderzocht en mijn moeder dacht dat ik in goede en veilige handen was bij de lieve verzorgsters van tehuis Annette te Amsterdam. Tijdens de eerste drie jaar van mijn leven heeft zich echter een gevoel vastgezet welke later in mijn leven pas als vraag te formuleren was: ‘Wat is er mis met mij dat ik niet gewoon thuis kon wonen?’ Het antwoord vreesde ik. Elk brein, en zeker dat van een kind, zoekt de meest voordehand liggende oplossing voor problemen. Het mijne bedacht: ‘Ik ben niet lief.’

Deze vraag werd pas echt beantwoord toen ik tijdens de research voor de film mijn eigen dossier van het kindertehuis vond in het Amsterdams Stadsarchief. In de archiefbibliotheek las ik vol spanning deze vondst: de met de hand getypte observatierapporten uit de periode 1968-1972, de periode van mijn nulde tot vierde levensjaar. Alles stond er in beschreven. Wanneer er tandjes doorkwamen, ziektes, hoe ik mij gedroeg naar andere kinderen en naar leidinggevenden. Maar ook hoe het contact met mijn moeder verliep en hoe ik reageerde wanneer mijn bezoek weer weg was of niet te troosten wanneer ik weer teruggebracht werd na een weekendje weg.

De blik vanuit die tijd, het perspectief van het kindertehuis, was verhelderend, omdat de ietwat koele en wetenschappelijke toon van de observaties het mogelijk maakte het verleden anders te bezien. Het verstopte verwijt naar mijn moeder waarom ze mij had ‘weggedaan’, kreeg ineens een andere lading toen ik in het rapport las dat ze heel graag voor mij wilde zorgen, maar dat ze op dat moment niet capabel was. Dat lezen in de observatierapporten werkte bevrijdend en zorgde voor een enorme opluchting. Er was dus toch niks mis met mij en mijn moeder hield wél van mij.

Dit gegeven werd belangrijk tijdens het maken van mijn documentaire over Alicia. De film zou voor haar als een soort monument moeten zijn, een herinnering aan een tijd. Het zou dezelfde werking kunnen hebben zoals mijn dossier dat uiteindelijk deed voor mijzelf. Ik vond het belangrijk om Alicia helpen in te zien dat ze door hele grote pech leeft zoals ze leeft. En vooral dat dit niet door haarzelf of haar gedrag komt. Dat ze dat niet vergeet. En dat haar boosheid een heel geldige reden heeft en zeer begrijpelijk is.

Daarnaast vond ik dat als ik Alicia zou portretteren dat de film pas geslaagd en alleen dan voor uitzending geschikt zou zijn, wanneer de kijker van Alicia zou gaan houden. Want kinderen met gedragsproblemen kunnen ook afstotend werken. Het inzichtelijk krijgen van wat er onder boosheid verborgen gaat en om daarmee mededogen te krijgen, dat zou tijd gaan kosten. Ik nam drie jaar.

Het filmen begon.

Drie jaar lang ben ik gemiddeld elke twee weken Alicia gaan bezoeken. Het was geweldig om mij tussen die bijzonder leuke kinderen te bewegen. In eerste instantie was natuurlijk iedereen gericht op de camera. Heel spannend. De kinderen mochten het zware apparaat ook zelf wel eens hanteren. Als ik even stopte met filmen of aan het einde van de dag, dan moesten er spelletjes gespeeld. En ik vond mij wel eens terug bij het televisie kijken met een kindje op schoot. Alicia genoot van de aandacht van de camera. Ze kon ook goed aangeven als het genoeg was.

De verwachting was dat er, ook al duurde het al lang, wel een pleeggezin of gezinshuis gevonden zou worden. Ik zou filmen tot dat moment of, als de toekomstige pleegouders er eventueel open voor stonden, filmen hoe Alicia opgenomen zou worden in dat gezin om te zien hoe de hechting zou verlopen.

Nu, u weet ook; het gezin kwam er niet. Dat ligt nadrukkelijk niet aan Alicia. Er is een chronisch tekort aan (specialistische) pleeggezinnen. Alhoewel het ook een wisselwerking is. Hoe langer het uitblijven van een pleeggezin of gezinshuis duurde, hoe bozer Alicia feitelijk werd en hoe complexer haar gedrag, dus hoe moeilijker de matching met een ‘speciaal’ gezin werd. ‘Speciaal’, omdat het mensen moesten zijn met kennis van hechtingsproblematiek, die Alicia goed begrijpen en haar op een juiste manier moesten kunnen begeleiden. Ik wil daar ook een kanttekening bij plaatsen, want je kunt zeggen: hoe bozer ze werd… maar je kunt ook zeggen: hoe banger ze werd. Het antwoord op die angst was medicatie; maar is dat wel een juist antwoord?

Alle verlieservaringen die Alicia al jong meemaakte (uit huis geplaatst worden op eenjarige leeftijd, weg moeten uit pleeggezin op vijfjarige leeftijd, veel andere kinderen zien vertrekken in de tijd erna in het kindertehuis) zijn traumatiserend. In Alicia’s geval zelfs zéér traumatiserend. Dat moet dus echt stoppen. Er moeten structurele veranderingen komen om dit soort situaties voor kinderen zoals Alicia te voorkomen. En die verandering komt niet vanuit jeugdzorg, want die heeft volgens de regels en protocollen gehandeld.

Toen ging ik het montageproces in. De documentaire moest geen actiemiddel of pamflet worden. En ook geen aanklacht. Dergelijke films zouden Alicia te kort doen. Die zouden haar feitelijk ‘gebruiken’. En zo had ik dat ook niet gevoeld tijdens het drie jaar durende filmproces. Ik kon alleen maar hopen dat de film die ik voor ogen had wel tot actie zou aanzetten. Wat iets anders is dan een film als actiemiddel beginnen.

De film moest gaan over hoe Alicia zich voelt in een situatie waar zij zelf niet voor kiest. Een situatie waar zij geen schuld aan heeft. Maar anderen ook niet. Alicia’s moeder heeft haar eigen verhaal welke in de film geen plek heeft, omdat de film dicht bij Alicia blijft en we zien vanuit haar perspectief hoe zij de dingen beleeft en ook vaak niet snapt. Maar elke moeder vindt het natuurlijk verschrikkelijk haar kind te verliezen of te zien dat het helemaal niet goed gaat of zij zelfs gevaar loopt.

Daarnaast is iedereen op de werkvloer in de instellingen enorm begaan met deze kinderen. Je kunt van alles zeggen over de mensen in de hulpverlening, maar zij zijn er wel voor deze kinderen. Ze moeten noodgedwongen werken binnen de gestelde (wettelijke) kaders - hoe frustrerend soms ook - dit is wat bij hun taak hoort. Het is een enorm zware baan vanwege de hoge werkdruk, omdat ze weinig perspectief kunnen bieden aan de kinderen (dus onbevredigend werk) en voogden persoonlijk aansprakelijk zijn geworden. Ongewild vallen steeds vaker mensen weg vanwege burn-outs, maar ook omdat men wegbezuinigd wordt en de kinderen zich almaar tot nieuwe gezichten moeten verhouden. Wat maakt dat de kinderen onveiligheid ervaren en het vertrouwen in volwassenen alleen maar verder doet afnemen.

De montage was daarmee een enorme balanceer act waarin ik iedereen in zijn waarde wilde laten en waarin ik zo veel mogelijk met Alicia’s privacy rekening hield. Maar waarin vooral begrip voor Alicia’s verhaal de boventoon moest voeren. Het was een enorme puzzel; de montage duurde driekwart jaar.

Als filmmaker ging ik mij uiteraard gaande weg het proces steeds meer aan Alicia hechten en vice versa. Tevens was de film waar ik mee bezig was een belofte aan haar. Iets wat ze heel graag wilde en waar ze enorm trots op was. Maar wat doe je als je voor je lens een meisje ziet afglijden? Een meisje waar ik enorm van ben gaan houden. Ik wilde dat haar situatie zou veranderen en de film zou daarin een machtig middel zijn. Maar wat weet zij van de impact van het oog van de camera?

De VPRO ging met mij mee in mijn twijfel: ik kon de film elk moment terugtrekken wanneer ik het gevoel kreeg dat de film een nadelig effect op Alicia zou hebben. Nadat de montage was afgerond liet ik de film aan iedereen zien die er aan had meegewerkt. En uiteraard ook aan Alicia. Iedereen was geroerd en vond het een eerlijke film. Zo was het gegaan. En vooral vond men de film integer en respectvol naar iedereen. Alsook was men van mening dat de film van grote importantie zou zijn. Alicia keek met veel zelfinzicht naar zichzelf: ‘Oh wat was ik erg!’, grapte ze. En: ‘Er moeten wel piepjes onder de scheldwoorden, want dat is niet netjes.’ Ik vond haar reactie van ongekende klasse en kracht getuigen. Ze keurde de film goed.

Ik bleef steeds met anderen in gesprek over wat wijsheid is. Je wilt dat de film Alicia’s situatie verandert, maar je kunt niet in de toekomst kijken en weten wat de film gaat doen. Aan de andere kant rezen in mij vragen als: ‘Hoe kan een film slecht voor haar toekomst zijn als haar kansen op een rooskleurige toekomst nihil zijn?’ Of; ‘Wat betekent het woord privacy als je geen naam hebt, je feitelijk niemand bent omdat niemand je ziet? Wat betekent privacy als niemand je kent? Als niemand van je bestaan weet? Als niemand je hoort?’

Het team van het kindertehuis uit Maashorst keek mij in deze begripvol aan: ‘Met deze kinderen is het altijd kiezen tussen twee slechten.’ En weer zeiden ze in koor: ‘Maasja, Alicia wil gezien worden.’ Ook tijdens een discussieavond spraken pleegouders uit eigen ervaring over het belang dat deze kinderen gezien willen worden. En uit een nog lopend promotieonderzoek naar kinderen die in een vergelijkbare positie zitten als Alicia komt dezelfde behoefte naar voren. De kinderen die voor dit onderzoek ondervraagd zijn zeggen juist: ‘Gebruik mijn verhaal als voorbeeld’.

Langzaam ging ik mij meer beseffen dat er een fundamenteler recht geldt dan privacy: je (geboorte)recht op hechting. Deze is nog vrij onbekend en gevaarlijk in het geding geraakt in Alicia’s geval. Een onthecht kind raakt zijn of haar hoop kwijt, weet niet waarvoor hij of zij nog goed moet doen. Waarvoor te leven.

De finale bevestiging voor mij, dat de film voor Alicia importantie heeft, maakte Alicia tijdens haar (besloten) première zelf. Zij had zo’n veertig mensen uit alle vorige woonadressen uitgenodigd. Niet lang nadat de film gestart was stoof Alicia de zaal uit. Ik hield mijn hart vast; ze had het dan wel zelf gewild zoveel mensen op haar première, maar ook hier dacht ik dat ze misschien geen idee had hoe dat zou zijn, zoveel ogen. Ik vroeg haar wat ze wilde en waarom ze de zaal uit liep. ‘Het is toch míjn première’, lachte ze, ‘dus ik mag toch zelf weten wat ik doe?’ Ik word altijd blij van haar rebellie en ik gaf haar volledig gelijk. Ik zei dat ze zelfs de film mocht stoppen als ze dat liever had. Dat we dan konden gaan dansen of andere dingen konden bedenken. En toen ik haar die optie gaf bedacht ik mij dat ik haar de mogelijkheid had geboden echt het heft in eigen hand te nemen en zelf kon bepalen of het te veel was. Of te moeilijk. En het gaf mij de mogelijkheid echt te toetsen wat zij wilde. De film werd niet gestopt. Ze heeft de laatste scenes naast haar moeder zitten kijken. En toen de aftiteling begon stond ze op. Het licht was nog uit. Op het doek verscheen ‘met grote dank aan’ en in het zwartje wat daar op volgde riep Alicia heel hard haar naam door de zaal. Op het doek verscheen: Alicia.

Dat was het moment dat ik mij in mijn gedachten over privacy echt bevestigd voelde. Je naam maakt dat je iemand bent. En privacy gaat pas wegen als je die naam moet beschermen. Alicia heeft (nog) geen leven waar ze recht op heeft. Privacy kan ook tegen je gebruikt worden; je kunt er een doofpot mee creëren. Ik ben ontzettend blij dat Alicia’s voogd zo dapper was dat niet te laten gebeuren. Ook zij wil dat er iets structureel verandert. En niet alleen voor Alicia, maar voor heel veel kinderen in een dergelijke situatie. Zoals iedereen die aan de film meewerkte dat ook vindt. Mijn dank is dan ook enorm voor hen allen. Het team, Alicia’s moeder, het weekendgezin, alle instellingen die de film mogelijk maakten. Hun hart voor Alicia ligt, net als het mijne, in de ziel van de film.

Daarmee kom ik aan het einde van mijn motivatie en wil ik nog kwijt dat ik hoop dat vanuit het beleid en financiering het roer flink omgaat in deze sector. Ik vrees de toenemende laag managers, die almaar verder weg komen te staan van de werkvloer en zich bewegen in een door de markt gedreven sector. Ik hoop dat de film vooral ook hen raakt en aanzet tot actie en verandering. Daarin staat men voor een moeilijke vraag: Wat hebben deze kinderen precies nodig? Welke veranderingen moeten er worden doorgevoerd? Wie gaat het voortouw nemen? En wie monitort het effect van die veranderingen?

Daarom doe ik hier een oproep vooral aan experts, maar tevens aan iedereen die wil meedenken hoe het nu anders moet. Want zijn we niet als samenleving ook verantwoordelijk voor kinderen zonder thuis? Producente Willemijn Cerutti en ik zullen het voortouw nemen om debatten, lezingen en symposia op te zetten. Hopelijk volgen er eigen initiatieven en komen we samen tot iets constructiefs.

Maasja Ooms, 27 november 2017

 

 

ACHTERGROND Ik heb begin jaren negentig de fotoacademie en de filmacademie doorlopen. Na zo'n 15 jaar alleen gewerkt te hebben als cinematograaf heb ik mij ontwikkeld als editor. Eerst bij documentaires die ik zelf ook had gefilmd, later ook van anderen en als edit-coach. Door mijn inhoudelijke betrokkenheid als cinematograaf werden sommige films gaandeweg samenwerkingen, in co-regie.

In 2013 startte ik een uitgebreide research waarin observaties van gedrag tussen mensen centraal stond; hieruit vloeiden twee films waarin ik de regie, camera en montage voerde. Tussen Mensen (55’, VPRO, 2015) en ALICIA (90’, VPRO, 2017, IDFA Special Jury Award Dutch Documentary).

Eerdere co-producties: Voices of Bam (90’ IKON, 2006) - Special Jury Prize op Tribeca Film Festival NY, Best Feature op Dokfest Kosovo, Best Film op Bucharest International Film Festival. Boris Ryzhy (55’ VPRO, 2008) - Zilveren Wolf IDFA, Nominatie Beste Editor Nederlands Film Festival, Best Feature Documentary op Edinburgh International Film Festival, Dutch Filmcritics Award op Nederlands Film Festival. Retourtje Hiernamaals (55’ IKON, 2011)